Menu

De hele playlist van Na Mattias vind je hier.

Rouw is als een schaduw. Hij voegt zich naar de stand van de zon, staat ’s ochtends anders dan ’s avonds. Hij leunt donker en geduldig tegen de muur, strekt zich in volle lengte uit over asfalt of trekt achter je rug zijn reliëf over te lang niet gemaaid gras, sierlijk dreigend als een slang. In die eerste weken wist ik soms niet of ik mijn eigen schaduw zag of die van iemand die vol goede bedoelingen dicht bij me was komen staan.

(pag 11)

Voelen hoe een vliegtuig loskomt van de grond omdat je naar huis gaat. Een door houtrot aangetaste pergola neerhalen en een nieuwe laten verrijzen. De één minuut twintig van ‘Bookends’ van Simon & Garfunkel. Degene van wie je houdt een moment kwijt zijn in een menigte, je hoofd een paar keer draaien en hem dan terugvinden: daar, daar is-ie al.

Als je geluk hebt, zit het daarin.

(pag 20)

Hij had een lange afspeellijst samengesteld op Spotify, om als wekker te gebruiken. Dat bekende nummer van James Brown stond er ook tussen, want het leek ons grappig om op een ochtend wakker te worden met ‘Wooo! I feel good, tanananananana’, maar de shuffle-functie zette hem nooit vooraan.

(pag 26)

Als ik ‘Fake Empire’ van The National hoor, moet ik altijd denken aan die zeven maanden. Het was het eerste nummer van het album dat ik opzette als ik ging lopen. Ik weet nog precies waar ik was als de blazers invielen. Dan had ik de poort rechts achter me gelaten en links de rivier zien liggen.

(pag 34)

Mattias had het er graag over. We zouden met iedereen een praatje maken, maar nooit over het weer beginnen. We zouden geen kranten op tafel hebben, en geen tv’s aan de muur. We zouden vrienden worden met de mannen die ons bij binnenkomst een ironische boks zouden geven en die zeiden dat ze dankzij ons Brett Dennen of The Milk Carton Kids hadden ontdekt. Er zouden meisjes komen die we na verloop van tijd ‘schat’ mochten noemen en die een mintgroene beker thee in hun schoot zouden houden als een ei dat elk moment uit kon komen.

(pag 39)


Er waren nachten met felle ruzie, dat hij de kamer uit beende en zij huilde in het kussen. Ze zag hoe het hem niets meer deed. Dat was nog het ergste. Vroeger smolt hij als ze huilde.

(pag 66)

Hij blijft staan op de drempel en verschuift zijn lichaam een halve meter om zichzelf niet tegen te komen in de spiegel aan de deur van de kledingkast.

(pag 69)

En dan staan ze stil, tegenover elkaar. Hij is lang, zij tenger. Een jongen en een meisje? Een man en een vrouw? Ze zoenen als een verliefd stel na een schoolfeest, en dan omhelzen ze elkaar als een echtpaar na de begrafenis van een kleinkind.

En dan, ze ziet het echt, dan dansen ze.

(pag 74)

Ik kan niet meer zeggen dat ik er nu eenmaal een bourgondische levensstijl op na houd. Iemand ben die weet hoe je hoort te genieten van het leven. Ik heb geen vast groepje bevriende drinkers op het terras zitten die ik kan begroeten met een opgewekt ‘Heren van het goede leven’, om er daarna bij te gaan zitten, steeds tegen de serveerster grappend dat ze maar snel een nieuwe moet brengen want ‘ze verdampen zo snel’.

Ik zit in het defensief. De dag begint op achterstand en ik kan mezelf alleen nog bijhouden door te drinken.

(pag 89)

Flip speelt de eerste vier akkoorden alsof hij ze van zijn gitaar probeert te vegen, laat de snaren doortrillen onder zijn vingers en steekt dan zijn hand de lucht in. Hij geeft ze de tijd. Maar het duurt niet langer dan 102 een seconde voor het publiek het nummer herkent. De mix van gejoel en applaus rolt van voor naar achter. Er gaan handen de lucht in. Jasper pakt de halflege fles witte wijn van het drumpodium en zet hem aan zijn mond.

Flip buigt naar de microfoon, wacht tot hij weer boven het geluid uit kan komen en zegt dan: ‘Jullie waren geweldig. Dit is ons laatste nummer. Dit is “Black Feathers”.’

Er stijgt een nieuwe golf geluid op uit de zaal. Ho- ger, steeds hoger. Harder, steeds harder. Het davert en giert. Het podium trilt mee.

(pag 103)

Misschien was het voor mij nog niet echt gebeurd, en mailde ik hem daarom. Iets casuals. Alsof ik gewoon wat wilde vragen. Misschien was het dat ik vermoedde dat de wereld waarin hij en ik contact met elkaar hadden een andere zou blijken te zijn dan die waarin mensen zichzelf in afscheidswoorden ‘de achterblijvers’ noemden en YouTubefilmpjes van Pink Floyds ‘The Great Gig in the Sky’ op zijn pagina plaatsten.

(pag 118)

Een goede vriend kijkt omlaag en leest voor. Altijd plannen, zegt hij. Hij had altijd grote plannen. Beloftes, afspraken. Altijd bezig met het volgende nieuwe.

Een tweede neemt het over als de eerste het te kwaad krijgt. Zegt: Hij wilde dingen. Duurde het te lang, dan werd hij ongeduldig. Stond hij te huppen bij de deur. We gaan, losers.

In een andere rij lachen ze klein en meelevend.

Ze wil opstaan. Níét. Zo was hij níét.

(pag 125)

Soms lukt het haar nog, op zeldzame momenten – en ik zeg dat het háár lukt, Anna, niet dat het mij lukt. Het lukt haar om zichzelf naar me toe te brengen in haar vorm, haar kleuren, haar bewegingen, haar handen en haar rug en haar mond, ze brengt alles naar me toe en dan is er even geen gemis van welke aard dan ook, want wat is er verder nodig, wat kan er zijn buiten die grenzen?

(pag 150)

‘Nog twee kilometer’, en dat ik zei dat ik nog wel wat overhad voor een eindsprint. Hij niet, zei hij, dus we bleven dat tempo volhouden, het bandje dat hij die dag op het strand niet kwam afgeven danste tussen onze polsen, de mensen langs de weg schreeuwden naar ons, en in de laatste kilometer kon ik hem bijna niet verstaan, behalve dat hij aftelde, hij zei: ‘Nog achthonderd meter, nog vijfhonderd, nog driehonderd, nog honderd, Chris, blinde Chris. Godver, blinde Chris, je gaat het halen, man.’

(pag 165)

Dat hij had gezegd: Jij blijft mijn moeder.
Dat zij had gezegd: Kom dan naar huis.
Dat hij had gezegd: Dat kan niet meer.

(pag 182)

Er blijft een bal liggen, midden op het plein. Een jongetje, klein van stuk, trekt zich bij het zebrapad los bij de fiets van zijn moeder en rent dan met een rotgang terug, richting de bal. De vrouwen kijken samen toe hoe hij de bal aan de voet meeneemt en weer op tijd bij zijn moeder is voor het groene licht. Hij pakt een van de flappen van haar fietstas vast, zoals zij hem geleerd moet hebben, en samen steken ze over.

(pag 188)

Mattias. Wat dacht je toen. Wat deed je nog.

(pag 194)

De lichtjes waaiden meteen uit. Het was alsof ze opgaven. Ik moest denken aan wat Sara een keer zei.

(pag 194)

Toen drong alles tot me door. En het kon nog.

Ik kroop onder het bed en trok een van de plastic bakken tevoorschijn. Onderin vond ik de weekendtas die ik zocht. Ik deed er wat ondergoed in, te veel kleren, een toilettas en drie boeken.

Ik reed de wijk uit, nam de rotonde voor driekwart, schakelde naar z’n drie. De zon scheen nog altijd door de schemering heen. Het leek of ook die benieuwd was hoe het zou aflopen.

(pag 195)

We zijn niet stuk. We doen dit. Kijk ons dan, kijk dan, we doen dit.

(pag 200)