Menu

Een goede vriend kijkt omlaag en leest voor. Altijd plannen, zegt hij. Hij had altijd grote plannen. Beloftes, afspraken. Altijd bezig met het volgende nieuwe.

Een tweede neemt het over als de eerste het te kwaad krijgt. Zegt: Hij wilde dingen. Duurde het te lang, dan werd hij ongeduldig. Stond hij te huppen bij de deur. We gaan, losers.

In een andere rij lachen ze klein en meelevend.

Ze wil opstaan. Níét. Zo was hij níét.

(pag 125)