Menu

Er was iets wat ik mezelf steeds vaker hoorde zeggen, bij voorkeur als ik gedronken had. De eerste keer dat ik het zo uitsprak, aten we in een Belgisch café aan een van de kleinere Amsterdamse grachten. Vier collega’s van de krant en ik. Het was op mijn initiatief. Ik wilde een paar van de beste verhalenvertellers bij elkaar krijgen en met ze praten over schrijven, journalistiek en goede verhalen. Openingszinnen, opbouw, personages, een spanningsboog. Ik nodigde ze uit per mail en een paar weken later zaten we aan een tafel met een waxinelichtje in een balvormige kandelaar en papieren placemats die een nieuwe ring kregen met elk biertje dat we bestelden.

Aan het eind van de avond ging het over het schrijven van boeken. Over wat het verschil was met verhalen maken voor de krant, en wat de voor- en nadelen waren. Ik zei: ik denk dat ik boeken schrijf omdat het een manier is om onsterfelijk te zijn.

In de trein terug schreef ik dat op in mijn notitieboekje, en een paar dagen later, toen ik het gesprek zelf alweer goeddeels vergeten was, las ik het terug.

Ik zou het inmiddels willen afzwakken. Of beter gezegd: ik zou het willen ontdoen van de pompeuze woordkeuze die de alcohol die avond in me had losgeweekt. Maar in de kern is het waar. Het schrijven van boeken geeft me op z’n minst de illusie dat ik iets maak dat langer kan bestaan dan ikzelf.

Een paar maanden eerder, in het najaar, zat ik op het vliegveld van Dublin te wachten op de terugvlucht na een conferentie over internet waar ik voor de krant was geweest. Het was zondag, net voor het middaguur. Mijn vriendin was mee. De conferentie duurde tot donderdag en daarna hadden we het weekend nog om de stad te zien. Het regende veel. We keken naar de straatmuzikanten die op de kop van grauwe winkelstraten moedig doorspeelden naast hun opengeklapte gitaarkoffer, in hun egaalkleurige shirts, spijkerbroeken met gate en All Stars-gympies. We zochten de plek op waar Glen Hansard in de openingsscène van Once staat te spelen, ook als straatmuzikant, totdat een zwerver een greep naar zijn door voorbijgangers achtergelaten losgeld doet en hij erachteraan moet, diezelfde winkelstraten door, tot hij de dief eindelijk bijhaalt in het park, en in dat park liepen wij ook.

Op het vliegveld zaten we tegenover de futuristisch strakke wachtstoeltjes en leunden tegen de immense ramen waarachter ons vliegtuig al klaarstond. Ik dacht aan de afspraak bij de huisarts die ik de volgende ochtend om negen uur had. Ik had al sinds de zomer last van een specifieke spier in mijn rug, langs de binnenrand van mijn rechterschouderblad, en de fysio had er ondanks wekelijkse sessies niets aan kunnen verbeteren. Na de vierde en laatste keer verwees ze me door naar de huisarts.

Ik dacht: wat als we neerstorten? Dan zal de boodschap dat ik op die noodlottige vlucht zat de huisarts niet op tijd bereiken. Hij zal dan op maandagochtend naar de wachtruimte lopen, mijn naam noemen en rondkijken, waarna niemand zou opstaan. Wat doet hij dan? Door naar de volgende, als het nummertje bij de bakker dat door niemand wordt opgeëist? Een half uurtje administratie? Een spelletje op zijn telefoon? Loopt hij in de pauze een extra rondje omdat hij voorloopt op schema?

Anders gezegd: wat blijft er over van iemand die er niet meer is? Welke gaten worden er in tijd en ruimte getrokken en worden die gevuld met de mensen die nog wel voorhanden zijn?

Want dat zou niet het enige zijn. Mijn voetbalteam zou een linksback missen. Er zouden minder ov-fietsen verhuurd worden. De verkoper van de daklozenkrant zou één supermarktbezoeker minder begroeten. De boeken uit mijn boekenkast zouden op den duur bij andere mensen terechtkomen, misschien via een rommelmarkt hier of daar, en dan wordt Ik, Zlatan, de biografie van Ibrahimovic, in handen genomen, met muntgeld betaald en in een plastic tasje gegleden, naast een net gekocht shirtje en een potje gel, en dan zegt een meisje ‘zullen we maar weer naar huis lopen’, en thuis gaat hij op de bank zitten terwijl zij dat shirtje nog een keer past voor de spiegel, hij pakt het boek erbij en draait het een paar keer om omdat hij altijd zin krijgt om in een boek te beginnen als hij het eenmaal vastheeft en de voorkant bekijkt en de achterkant leest, hij leest wat bladzijden, legt het dan weer weg en vergeet het, want hij wil nog naar de sportschool en daarna komen er vrienden eten, het is zaterdag, en die avond ziet een van die vrienden het liggen en zegt ‘Hé, hoe kom je daaraan?’, en hij zegt: ‘Rommelmarkt, twee euro’.

En dat is dan omdat mijn vliegtuig neerstortte.

Ik wil nog eens twee maanden terug. Het was een prachtige vrijdag aan het eind van de zomer. Zo’n dag die je nog cadeau lijkt te krijgen, want het was al september en niemand had ervan opgekeken als het met bakken uit de lucht kwam en de wind zich nijdig om rijtjeshuizen had gevouwen. Maar dat was niet zo. De zon scheen en met de grootste vanzelfsprekendheid werd het nog bijna twintig graden. Ik zat met mijn laptop op schoot, keek naar Google Maps en tekende een hardlooproute uit. Ik wilde de stad uit, langs weilanden en slootjes lopen, een spoorwegovergang, mestgeur, tractoren, langs mensen bij wie de haast en de stress nog niet in de aderen was gespoten. Ik stippelde vijftien kilometer uit en schreef de afslagen die ik moest nemen met balpen op de palm van mijn linkerhand. Op mijn telefoon koos ik een podcastaflevering van twee uur; dat moest ruim voldoende zijn. Het was een interview met Glen Hansard, frontman van de Ierse rockband The Frames en de muzikant die die rol speelde in Once.

Ik liep de wijk uit, kruiste de snelweg en het spoor en verwijderde me van de stadse drukte.
Ik weet nog precies waar ik liep toen ik Hansard hoorde zeggen wat me zo bij zou blijven. Het gesprek ging over diepgelovigen en overtuigd atheïsten, en Hansard nam een zijweg naar zijn eigen kijk op het leven, die ergens tussen die uitersten in lag, en hij zei dat hij alleen maar hoopt dat hij meer goeds achterlaat dan slechts.

Dat raakte me dus. Het is niet veel, maar het bleef me bij. Want het bijzondere is dat hij – en dat geldt voor ons allemaal, ook voor mij – daarmee niet ontkent dat hij slechte dingen doet. We doen anderen pijn. We liegen. We doen de aarde al geweld aan puur door ruimte in te nemen. Door te consumeren. We kiezen voor onszelf, ook al zou een compleet rationele, van elk persoonlijk belang gespeende keuze de andere kant op moeten vallen.

Ik vind twintig slachtoffers in België erger dan tachtig in Pakistan. Ik reken bij artikelen over de voorspelde gevolgen van klimaatverandering uit of ik dan zelf nog in leven zal zijn. En als ik nu moet kiezen tussen de dood van mijn kat of tien mensen die ik nooit gezien heb, kies ik dat laatste.

Maakt mij dat een slecht mens? Of maakt mij dat een mens?

Hansard zegt dus: ja, je bent een egoïst, jij ook, en je kunt er slechts op hopen dat het goede waar je toe besluit al dat ikzuchtige overstemt. Dat je iets achterlaat wat in leven blijft. Een herinnering aan iets wat je eens deed of zei, iets wat een handeling beïnvloedt, troost biedt of iemands gemoed optilt. Een liedje dat je zong, een gewoonte die een ander heeft overgenomen. Een ruzie waar je tussenbeide kwam. Iets wat je een keer zei, ook al was je het zelf meteen weer vergeten, dat die gedachte zich in je gevormd had, een uitweg vond en onmiddellijk vervloog.

Dus misschien dat daar ook die kijk op het schrijven vandaan kwam. Dat ik met onsterfelijk bedoel: iets wat ik achterlaat en wat onafhankelijk van het kloppen van mijn hart, het stromen van mijn bloed en de reflexen van mijn hersenstam kan voortbestaan om ergens, in een ander leven of in andere levens, nog een betekenis te hebben, al is het miniem.

Er is nog een andere reden waarom ik doe wat ik doe. Ik schrijf om me te herinneren. Het is een poging niet te vergeten.

Op de dag dat ik het bovenstaande schreef, midden in de zomer van 2016, fietste ik aan het begin van de middag over het fietspad achter een meisje met een luchtige, zomerse broek aan en een shirtje met hetzelfde patroon. Ze had goudblond haar, golvend maar niet per se krullend, en het hing tot op haar schouderbladen. Ze had een zonnebril op. Over haar rechterschouder hing een linnen tasje met, voor zover ik kon inschatten, boeken of syllabi van bij elkaar niet meer dan een halve kilo zwaar, want dat geheel, die broek en die haren en dat tasje, danste zonder last heen en weer op de fiets. Bij de ingang van een van de universiteitsgebouwen sloeg ze rechtsaf, en toen dacht ik: nu zie ik haar nooit meer.

Dat was niet erg uiteraard, ik heb haar voorkant niet eens gezien en ik was niet van plan daar werk van te maken, maar het maakte me melancholisch, dat je niet weet wanneer iets of iemand rechtsaf slaat om nooit meer in je zicht, en daarmee je gedachten, terug te komen. Dus ik schrijf om het iets langer vast te houden. Geef het de kans mij te overleven. Ik haal wat ik denk en zeg en doe en wat ik tegenkom uit mijn hoofd, redigeer het en leg het in een la.

Mijn herinneringen hebben de neiging zich te hullen in nostalgie en weemoed, vooral als de mensen en dingen die er een rol in spelen niet meer binnen handbereik zijn. Soms vóél ik hoe er een ontstaat. Weet je nog, vier seconden geleden?

A.L. Snijders schreef eens dat zijn vrouw stond te huilen bij hun toen net ingeslapen hond Bennie. Hijzelf huilde niet, toen Bennie naast hem in een kruiwagen lag, klaar om te worden neergelegd in het gat dat hij zelf aan het graven was. Hij huilde pas twee dagen later, toen hij erover schreef. Het was voor hem pas gebeurd toen hij het had opgeschreven.

Ik weet zeker dat dat ook voor mij geldt, want ik merk soms dat ik me deels afsluit voor wat er om me heen gebeurt, om het pas later toe te laten, als ik papier voor me heb. Erover schrijven is erover nadenken.

Maar: daarmee verander ik er ook iets aan. Ik verklein het en breidt het tegelijkertijd uit, tot iets wat een openings- en een slotzin heeft en waaruit al het er niet toe doende, alle ruis, is weggelaten. Iets wat, daar moet ik eerlijk in zijn, erop gericht is een emotie of reactie te ontlokken aan de lezer, mijzelf inbegrepen, want als ik het lees is het gebeurd zoals ik het heb beschreven, ook al weet ik dat ik de ongepolijste waarheid heb bijgeschaafd of zelfs een richting in heb geduwd. Ik schrijf omdat de dingen dan zijn gebeurd zoals ik me ze wil herinneren.

Een paar dagen nadat we terug waren gekomen uit Ierland, lagen we in bed. Wat in me was opgekomen, over de huisarts die zijn verwachte patiënt om negen uur ’s ochtends niet in de wachtruimte aantreft, had zich inmiddels vergroot tot een idee voor een roman.

We hadden een sitcom op dvd gekeken, mijn vriendin en ik. Het was een zaterdagavond. Ik zou de volgende dag gaan voetballen. De wedstrijd was al vroeg. Ik knipte het nachtlampje uit en draaide me op mijn zij. Toen keek ze op haar telefoon, en ze zei: er is slecht nieuws.
Ik draaide me weer de andere kant op.

Ze zei: er is een schietpartij geweest.

We bleven nog een paar uur wakker. We volgden het nieuws, en als het te veel werd keken we nog een sitcomaflevering. We praatten erover in machteloze zinnen. Ik opende mijn armen en ze ging erin liggen.

Pas de volgende ochtend werd de volledige omvang duidelijk.

Ook dat deed het denken groeien, over schrijven en herinneren en sterfelijkheid en meer goeds achterlaten dan slechts.

Met Oud & Nieuw waren we bij vrienden. Vuurwerk op tv. Champagne in lange glazen. Winterjassen aan. Een aansteeklont tussen versteende vingers. Ik twitterde: Op de liefde.

Dat was daarom. Om het verdomme omhoog te houden.

Ik regelde onbetaald verlof op mijn werk. Kocht bij de Hema indexkaartjes en schreef daar alle ideeën op die ik had. Die gedachte in Dublin, die stellige uitspraak over het schrijven, Hansard, het album van Sufjan Stevens dat dat jaar uitkwam, de personages die al een tijd in mijn hoofd rondliepen, aantekeningen van jaren eerder die ooit nog eens van pas zouden kunnen komen.

Ik deed die kaartjes in een kunststof bakje. Mijn hele boek paste daarin. Elk personage had een tabblad. Ik verzon namen voor bij die tabblaadjes, elk een unieke beginletter om ze uit elkaar te houden. En toen begon ik.